Met een ruisend geluid en licht wappperende haren zit ik en
trekt het landschap aan me voorbij. Achter me klinken mannenstemmen die een
koeiengeluid proberen te maken. Dit is mijn weg. De weg naar huis, naar diegene
van wie ik hou, de stad waarvan ik hou. Wachtende mensen op de eeuwige rechte
weg met de oneindig vele stoplichten. Ik ben blij dat ik daar niet tussen sta.
Dat is dan toch weer een voordeel van geen rijbewijs hebben. Een lichtelijk
brandend en onprettig gevoel heeft zich verspreid in mijn voetzolen, door het
eindeloze lopen in de stad. Zoeken. Elke week weer. Elke dag weer, in mijn
hoofd. Het wordt donker voor het raam, geen landschap meer. Nog even wachten,
dan ben ik er. Wat ‘er’ ook moge zijn. Sommige woorden betekenen zo weinig,
maar zonder zou de taal het toch niet redden. Ach. Dag bomen en grasvelden.
Hallo station, hallo Amsterdam. Ik stap uit, de wereld in.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten